 |
Een ijskoude wind
stak op tussen u en mij
en de afstand van één voet
werd opeens
duizend mijl.
Akiko Yosano (1878−1942)
|
De man met de blauwe parka had al ‘n tijdje z’n telefoon door z’n vingers laten spelen voordat ie besloot ‘t nummer te bellen.
“Mag ik personeelszaken?” vroeg ie tamelijk toonloos. Daarna was ‘t kort stil.
“Ja hallo.” zeidie en noemde z’n naam. “Ik wil weten waarom ik ben afgewezen.” Hij stond op en luisterde in ‘t middenpad van de coupé. Dan kondigde de omroepinstallatie de volgende halte aan. De man hield ‘n hand strak tegen z’n vrije oor.
“Daar ben ik weer.” zei de man nadat de luidsprekers zwegen. “Ik zit in de trein.” Als om niet gevangen te worden vanwege ‘n detail nam ie weer plaats op de bank. Hij wreef onder z’n neus.
“O.” zeidie toen. Hij leek ‘n nader antwoord te overwegen. “O ja.” zeidie. Hij zuchtte onhoorbaar. “Nou ja.” zeidie tamelijk toonloos. Hij stak ‘t toestel in ‘n binnenzak van de blauwe parka.
[De reizigers in de coupé haalden weer adem. De man staarde uit ‘t raam.]
 |
Ouderdom is als bergbeklimmen. Hoe hoger je klimt hoe uitgeputter en buiten adem je geraakt, maar je uitzichten worden breder. Ingmar Bergman (1918−2007)
|
Ik hoorde achter me de donsdeken bewegen. Ik zat op de rand van ‘t bed en keek door de vitrage naar buiten. De sneeuw en ‘t ijs waren veranderd in mist en miezer. ‘n Vogel landde op ‘t platte buurdak.
“Wat zie je?” klonk ‘t slaperig.
“‘n Houtduif.” zei ik.
“Weet je dat zeker?” vroeg Billy.
Van binnen draaide ik me om en zei ik: “Ik weet niks zeker, ik doe alleen heel goed alsof.” Maar van buiten bleef ik door de vitrage kijken.
“Ja.” zei ik.
[Ik hoorde de donsdeken weer. Even later voelde ik twee armen om me heen.]
 |
De mens lijkt weer behoefte te hebben aan symboliek in zijn omgeving. Hij blijft thuis maar zorgt voor een nieuwe horizon. Daar moet veel voor worden afgebroken. Gerrit Krol (1934)
|
“Ik zag ‘t meteen.” zei Maarten. En hij vertelde voor de zoveelste keer z’n verhaal zoals mensen die alles voor de zoveelste keer weer herbeleven dat gewild doen.
Dat ie boven had gemaild met z’n correspondentiemaatje en dat ie, toen ie beneden kwam, z’n man levenloos had aangetroffen. Dat alles wat daarna gebeurde als in ‘n waas was voltrokken, tot de crematie aan toe.
“Tweeëndertig jaar zijn we samen geweest.” zeidie. “We gingen nergens heen, dat kon ie niet meer. Elke avond zaten we kneuterig thuis.”
Hij miste ‘t nu al, zag ik.
[Als ik z’n schouder raakte wist ik Atropos ook voor mij onafwendbaar.]
 |
Mannen besteden de eerste helft van hun leven met gewoonten aan te kweken die de tweede helft korter maken. Ann Landers
|
Tante had me ‘n cadeaubon gegeven waarmee ik voor niks in de winkel tegenover ‘t station ‘n plantenkasje kon ophalen.
De kassamevrouw zag de bon in m’n handen en pakte ‘t geschenk alvast. De trein was voor over tien minuten voorzien en d’r was maar één klant voor me. Die legde ‘n zak zaad op de toonbank en pakte z’n portemonnee. Alles verliep voorspoedig.
“Wat is de schade?” vroeg ie aan de kassameneer.
“Eén euro.” zei de kassameneer. De klant pakte ‘n geldstuk. De kassameneer wilde ‘t aanpakken, maar de klant hield de munt stevig vast tussen duim en wijsvinger. Tegelijk begon ie ‘n relaas over dit en dat en weet ik al niet wat. De kassameneer bleef met z’n hand open, de kassamevrouw stond met ‘t kasje te wachten en ik onderdrukte opkomend dierlijk gedrag. De door de winkelruit zichtbare aankomst en vertrek van de gele trein begroette ik slechts met ‘n diepe zucht.
[Zonder dat ik ‘t doorheb word ik steeds beschaafder.]
 |
Een mens blijft eigenlijk zijn hele leven een kind, alleen het speelgoed verandert. Wim Smeyers
|
“Ik weet niet wat ik met ze aan moet.” fluisterde ‘n collega. Ze loenste naar ‘n sjofel uitziend stel aan de balie. “Kun jij niet even met ze praten?” Ik knikte. Dus schudde ik even later de handen van de man en de vrouw.
“Wij vinden ‘t zo erg wat d’r gebeurd is.” begon de man meteen. “Daarom willen we wat doen.” Hij knikte en keek naar zijn vrouw.
“Maar we kunnen niet bouwen of puinruimen.” nam die ‘t over. “Dus toen we dat vliegtuig zagen wisten we ‘t meteen.” Ze draaide opzij.
“Wij willen d’r nu ook één.” zei de man. De vrouw knikte. In tegenstelling tot de indruk die de beiden maakten begreep ik niks van hun relaas. Ik keek dan ook licht verbijsterd van de één naar de ander.
“‘n Vliegtuig?” probeerde ik voorzichtig.
“‘n Kind.” schudde de vrouw.
“Uit Haïti.” zei de man. Ze straalden.
“En bedankt.” zei ik even later tegen m’n collega.
[“Nee echt.” zei ik toen ik d’r pijnlijk berouwvol zag kijken.]
 |
Winst ruikt altijd goed, waar ze ook vandaan komt. Juvenalis (ca. 60-tussen 133 en 140)
|
“Hé Bob, wat kosten die afdrukken per stuk?” riep ‘t meisje van de afdrukwinkel naar de man die Bob bleek te heten.
Eén twintig, dacht ik — want dat had ik al op internet uitgezocht.
“Zestig cent.” riep de man die Bob heet.
Eén twintig toch? dacht ik. ‘t Meisje van de afdrukwinkel tikte al zestig cent in op d’r rekenmachine. Ik keek naar de uitkomst van de som. Die was de helft van wat ik van tevoren had bedacht. ‘t Verschil veroorzaakte ‘n kleine kortsluiting in m’n systeem. Door de man die Bob heet.
‘t Was één twintig, dacht ik, Ze hebben zich vergist. Maar ik zei niks. In plaats daarvan schoof ik m’n bankkaart door ‘t gleufje van ‘t betaalapparaat. In ‘t venstertje las ik ‘t halve bedrag. Vanzelf drukte ik op OK.
“Tasje d’rbij?” vroeg ‘t meisje van de afdrukwinkel. Ook nog, dacht ik.
[Zo voelt ‘n bankier zich dus, dacht ik toen ik naar buiten liep.]
 |
Mijn kat slaapt meer dan ik. Heeft hij daarom geen behoefte aan kunst? Jan Kuijper (1947)
|
Ze lag al op bed toen ik de slaapkamer opkwam: Miesje. Zodra ik ‘t dekbed over me heen had getrokken sprong ze met ‘n kort kreetje naast m’n hoofdkussen. Ik spiekte in ‘t nachtlicht naar de bejaarde kat.
Ze zou me nu aan flarden kunnen scheuren, dacht ik, d’r stevige klauwen in aanmerking nemende. Maar zelf leek ze geenszins van plan d’r nagels uit te slaan en ‘n bloedbad aan te richten. In plaats daarvan had ze de ogen zedig neergeslagen en was ze met ‘t stampen begonnen, vergezeld door ‘n almaar luiderwordend spinconcert. Haar volledige overgave ontroerde me. D’r was geen sprake van twijfel over ‘t nut van d’r voethandelen, de noodzaak tot d’r monotone keelmuziek.
Wat moest dat moest.
[Evenzogoed heb ik d’r van ‘t matras afgeduwd toen ik ook es wilde slapen.]
 |
Ik zou liever leven in een wereld waar mijn leven is omringd door mysterie dan in een wereld die zo klein was dat mijn geest haar kon omvatten. Harry Emerson Fosdick (1878−1969)
|
“Klopt ‘t eigenlijk wat ze zeggen, Menno?” Ineens waren vier paar jongensogen gespannen gericht op de klasgenoot op ‘t bankje naast hen.
“Wat zeggen ze dan?” vroeg de aangesprokene. Hij zat kalm achterover en leek niet onder de indruk van de plotse aandacht.
“Ze zeggen dat je kieuwen hebt.” De scholieren tenniskeken van de vragensteller naar Menno. Die zat nog steeds onaangedaan op de bank.
“Wie zijn ze?” vroeg ie. De andere jongen haalde z’n schouders op.
“Kweenie.” zeidie. “Iedereen.” Menno trok de rits van z’n jas omhoog en legde z’n benen kruislings gestrekt op de vloer. Als ultiem teken van ontspanning stak ie ook nog es z’n handen in z’n zakken.
“Dan moet ‘t wel kloppen.” glimlachte die onbestemd.
[“Zie je wel, ik wist ‘t.” hoorde ik ‘n jongen zeggen in ‘t hierop volgende gegons.]
 |
Nonchalance is leuk tot je veertigste, daarna is het onverzorgdheid. Benoîte Groult (1920)
|
Nadat ik ‘t middel had aangebracht stond ik ‘n beetje hulpeloos met m’n handen omhoog voor de wasbak. Daar stond ‘n bonsaiboompje in ‘t water te dompelen. Ik wist even niet goed wat nu te doen. Dan nam ik ‘n besluit.
“‘t Goeie nieuws is,” zei ik even later toen Billy z’n hoofd onderzoekend om de deur van de badkamer stak, “Dat je boompje vooreerst geen aambeien zal krijgen.”
Ik droogde m’n handen af aan ‘n schone handdoek.
[“Heb jij…” schrok Billy. Dan sloot ie z’n ogen en zuchtte alleen maar.]
 |
De hartstocht van het extremisme is zowel in de kunst als in de politiek een verkapt verlangen naar de dood. Milan Kundera (1929)
|
‘n Busje van de ME keerde op de weg. Verschillende agenten vonden achterin de wagen ‘n zitplaats: ze waren gehelmd en voorzien van knuppels. Ik bedacht nog allerlei handwapens in hun holsters. Onder de dienders was d’r zeker één vrouw. Nadat de deur was gesloten reed ‘t busje de straat weer uit. Ik liep naar beneden.
“Had je dat gezien?” vroeg ik. “Die agenten?” Billy knikte.
“Ik heb d’r nog snel ‘n foto van gemaakt.” zeidie.
“O mooi.” zei ik. “Dan hoef ik niet meer naar buiten.”
Op dat moment vloog ‘n helikopter over.
[Toen d’r Enge Mannen voorbijliepen voelde ik de kou ons huis binnendringen.]