Punt. Uit. | [ 0 ]

rat
In den beginne was het woord en het woord is het einde. Jan Gre­shoff (1888−1971)

De meeste lezertjes zul­len d’r niks van gemerkt heb­ben, maar stie­kempjes ben ik verhuisd. Meer dan drie­dui­zend stukjes zijn inge­pakt en weg­ges­jouwd naar m’n vol­gende bestemming.

Ik moet jul­lie nu vra­gen om ‘t pand te ver­la­ten, want ik ga zo ‘t licht uit­doen en ‘t gas en water afsluiten.

Als je wilt kun­nen jul­lie wel met me mee. Natuur­lijk. Dat zou ik alleen maar fijn vin­den. Wat dacht je dan.

Om je ‘n ver­trouwd gevoel te geven heb ik intus­sen al die meer dan drie­dui­zend stukjes uit­ge­pakt en op hun nieuwe plekje gezet. Dan voelt ‘t alle­maal mis­schien wat min­der vreemd.

Goed dan, kijk nog maar even rond. Maar niet te lang, hoor — we moe­ten wel ver­der. Ik ga alvast. Als je me zoekt, dan ben ik hier.

[Tot zo dan. Ik zie je wel verschijnen.]

Zwarte lijst | [ 0 ]

hoi
Het juiste woord op de juiste plaats, dat is stijl. Jona­than Swift (1667−1745)

D’r ston­den twee negers te kij­ken naar de koeien in ‘t park. Dacht ik. Ik schrok. Mocht dat eigen­lijk wel? Ja, dat kij­ken natuur­lijk wel, maar die twee negers — was dat nog wel geldig?

Ergens stond me d’r iets van bij dat negers waren afges­chaft en nu zwar­ten genoemd moes­ten wor­den. Dan moest ik dus ook aan zwar­ten den­ken. Niet aan negers. Zeker niet.

In ‘t dikke woor­den­boek thuis las ik dat negers toch nog wel bestaan. Maar alleen wan­neer ‘t om zwarte men­sen uit Afrika gaat of om afstam­me­lin­gen van zwarte sla­ven uit Ame­rika. En die laats­ten wor­den eigen­lijk niet graag zo genoemd. De twi­j­fel werd nu alleen maar nog groter.

De vol­gende keer moet ik vra­gen waar ze van­daan komen, dacht ik.

[Stel je voor dat je iemand ‘n neger noemt die dat hele­maal niet is.]

Oud papier | [ 0 ]

papier
Spaar veel oud papier,
anders kunt u mis­schien
straks, zon­der de bomen,
het bos niet meer zien.
Wim Meyles (1949)

“Niet kij­ken.” siste Billy op ‘n manier dat ik meteen omdraaide. “Niet doen, zeg ik!” snerpte die. Ik zat meteen weer recht.

“Wat is ‘r dan?” zei ik. “Ik heb niks bij­zon­ders gezien.”

“Dat vrouwtje daar — niet kij­ken!” Billy loerde over m’n schou­der. Ik wist me te beheer­sen. “Dat vrouwtje gaat alle sta­pels oud papier langs en haalt ‘r de kran­ten tus­se­nuit.” Hij keek bijna adem­loos naar ‘t tafe­reel ach­ter m’n rug. “En die stopt ze dan in ‘n plas­tic tas.” Onop­val­lend —  nou ja, voor zover dat gaat — waagde ik om te kij­ken. Daar zag ik inder­daad ‘n vrouw kran­ten uit ‘t oude papier in d’r tas stoppen.

“Triest wan­neer men­sen alles mee­ne­men als ‘t gra­tis is.” vond ik.

[Billy leek wat te willen zeg­gen, maar deed dat toch maar niet.]

Toeristenvisie | [ 0 ]

mode
Het eeu­wige niets is okay als je ervoor gekleed bent. Woody Allen (1935)

D’r lie­pen twee vrou­wen langs, met gid­sjes en zoe­kende gezich­ten. Nu moet je weten dat men­sen met gid­sen en zoe­kende gezich­ten in ‘t alge­meen niet willen dat we weten dat ze zoe­ken. Zo ook deze vrouwen.

Ik pro­beerde oog­con­tact te kri­j­gen, maar ze wis­ten elke vorm van com­mu­ni­ca­tie te ver­mi­j­den. Zoe­kend keken ze over en langs me heen. Of mis­schien waren ze wel zo gespan­nen aan ‘t turen dat ze heel niet in de gaten had­den dat ik ze pro­beerde te hel­pen. Dat kan ook, natuurlijk.

De beide vrou­wen lie­pen ‘n rondje over ‘t pleintje. Ineens stopte de ene. Ze wees naar ‘n hoog beves­tigd straatnaambordje.

“Kijk.” zei ze. “Daar is ‘t.” De andere vrouw tuurde in d’r gidsje.

“Dan zijn we hier.” wees ze.

[Ik hoefde niets meer te doen. De dames wis­ten nu waar ze waren.]

Verworpene | [ 0 ]

bed
Beter opbran­den
dan uit­do­ven
J.A. Deel­der (1944)

Behoed­zaam stroopte ze d’r broeks­pijp op tot aan d’r knie.

“Zie je wel.” zag ze. “Hele­maal blauw.” Ze wreef over d’r onder­been. “Als die asbak tegen m’n hoofd was geko­men, had ik ‘n gat in m’n kop gehad.” De man naast ‘r zweeg. Hij keek ook niet naar ‘t been, maar trok aan ‘n sjek­kie. Lang­ge­rekt blies ie de rook uit.

“Eigen­lijk zou je weer es terug moe­ten naar je vrouw.” zei ze. “Dan bel ik d’r mor­gen wel op en ver­tel ik ‘r dat je ‘n vrien­din hebt, die heel erg blij met je is.” Ze deed de broeks­pijp weer evenzo voor­zich­tig naar bene­den. “Kom mee.” gebood ze. Ze wachtte niet maar stond op en liep weg. De man drukte de peuk uit en hees zich moei­zaam van z’n plek.

“Trut.” mom­pelde die.

[Desal­niet­te­min liep ie even later ged­wee z’n ver­meende onge­luk achterna.]

Rare mensen | [ 1 ]

zeepbel
Mijn droom van het geluk is een zeep­bel die niet stuks­pringt. Luc Vana­ckere (1961)

De model­len ren­den van cat­walk naar cat­walk. Pla­teau­zo­len en naald­hak­ken klet­ter­den over de klin­kers. Rode lopers lagen in de stra­ten van de oude volks­buurt. Bewo­ners beke­ken ‘t spek­ta­kel van ‘n afstand.

‘n Cir­cus was name­lijk neer­ges­tre­ken. ‘n Cir­cus met Bij­zon­dere Men­sen. Vreemde men­sen. Rare men­sen. Men­sen die de weg blok­keer­den om ‘n mode­show op de stoep voor ‘n win­kel te kun­nen bekijken.

‘n Auto­mo­bi­list had niks met mode. Hij wilde alleen maar met z’n auto door de straat. En hordes van die rare men­sen ston­den ‘m daar­bij in de weg. De man draaide z’n raampje open om de rare men­sen uit te schel­den. ‘n Oudere buurt­be­wo­ner, die aan de kant van de straat had toe­ge­ke­ken, stapte op ‘m af.

“Hé kloot­zak.” zei­die. “Dit is cultuur. Kap­pen dus.”

[De auto­mo­bi­list draaide mop­pe­rend z’n raampje weer dicht. En wachtte.]

Teken | [ 0 ]

anne-jan
De onge­zond­ste din­gen zijn het lek­kerst. Juul Kin­naer (1939)

“Brr.” rilde Anne-​​Jan, cock­tail­sha­ker en de op een na beste barista van ‘t land, toen ie ‘t kleine insect op z’n been ont­waarde. “Ik heb niks met die kutbeesten.”

Hij had ‘n paar tak­ken die boven ‘m hin­gen afgek­nipt waar ver­schil­lende gelede diertjes in ble­ken. Ges­chrok­ken wierp ie ze ver weg.

“Ik heb niks met die mor­mels.” zei­die nog es. “Alleen met deze.” Toe­val­lig was d’r ook ‘n lie­ve­heers­beestje op ‘m neer­ge­val­len. “Die zijn lief.”

Dan ver­telde ik ‘m over de pro­fes­sor die in ‘n krant had laten weten dat d’r nieuwe lie­ve­heers­beestjes waren, uit ‘t bui­ten­land, die hele­maal niet zo lief waren. Die de inlandse kevertjes dood­den en ‘n plaag zou­den gaan vor­men. Ineens sloeg ie ‘t insect van ‘m af.

“Bedankt voor de bood­schap.” zei­die. “Maar niet heus.”

[Natuur­lijk wilde ik ‘m geen schrik ont­lok­ken. Alleen ont­zag. Dat was gelukt.]

Oortje | [ 1 ]

paraplu
Als de ade­laars zwi­j­gen, tate­ren de pape­gaaien. Wins­ton Chur­chill (1874−1965)

‘t Was zo’n bij­de­hand jon­getje, dat zag ik meteen. Hoe die me aan­keek alleen al. Ik wou d’r bijna wat van zeg­gen, maar ‘t joch was me voor.

“Meneer.” opende die. ‘t Klonk toch nog vrij aar­ze­lend. “Meneer.” zei­die nog es, alsof ik ‘t alle­maal niet in één keer zou kun­nen bevat­ten. “Waar is uw oortje?” De vraag deed me inder­daad even wankelen.

“M’n oortje?” ant­woordde ik. “Wat bedoel je?”

“Nou,” zei de jon­gen, “ik hoorde u pra­ten en ik nam aan dat u tele­fo­neerde. Maar ik zie geen toe­stel en ook geen oortje en ik vroeg me af hoe dat zat.” Ik merkte dat ik kleurde. Wat te zeggen?

“Ik, euh.” haperde ik voor ik bekende. “Ik denk dat ik in mezelf sprak.” De jon­gen fronste bepaaldelijk.

“O.” zei­die toen.

[Laat bij­de­hante jochies in hemels­naam oude man­nen met rust laten.]

Betrapt | [ 0 ]

trapper
We zijn zo oud als we ons­zelf voe­len. Is dat geen regel­rechte schande? Mil­ton Berle (1908−2002)

Ik voelde me goed en stoer en vrij. Met de fiets aan de hand liep ik door ‘t laatste stukje van de win­kel­straat. ‘n Groepje jon­gens liep voor me. Jon­gens die van zich­zelf al goed en stoer en vrij waren. Ik zou ze wel es wat laten zien.

Ik zette m’n lin­ker­voet op de lin­ker­trap­per. Die ver­ti­caal bleek te staan, maar die wel hori­zon­taal zou gaan, zodra ik m’n andere been over de baga­ge­dra­ger had gezwaaid. Dacht ik.

Mis.

In plaats van soe­pel bewon­de­ring te oog­sten begon ik onhan­dig te manoeu­vre­ren. De trap­per wilde niet plat en de zool van m’n schoen was te glad. M’n voet gleed d’r vanaf. Met flink wat mis­baar bleef ik nog net ove­reind. De jon­gens draai­den zich ver­baasd om.

[Ineens was ik stuk­ken min­der goed en stoer en vrij.]

Zagen | [ 1 ]

bouw
Alles wat groot lawaai maakt is per defi­ni­tie onwaar. Tom Beekmans

‘t Door­za­gen van de beton­nen tegels ging gepaard met stof­wol­ken en impo­sant gejank. ‘t Waren ste­vige tegels, dat was ‘n ding dat zeker was.

Nu ging dat al ‘n tijdje zo, want de tuin van de buren werd opnieuw aan­ge­legd. En daar­voor moes­ten veel beton­nen ste­nen en ran­den op maat wor­den gezaagd.

Bin­nen zat ik, te wer­ken aan woor­den. Om in mezelf te kun­nen komen had ik de radio uit­ge­zet. Maar dat was nog voor ‘t zagen was begon­nen. Ik staarde naar ‘t scherm. ‘t Blin­kertje knip­perde ins­pi­ra­tie­loos. Daar kon ik dus ook niks van ver­wach­ten. Ik klapte de com­pu­ter dicht. De stof­wol­ken wer­den opge­jaagd door ‘t gejank van ‘t spli­j­ten van de stenen.

Ineens hield ‘t op. ‘t Werd stil. ‘t Stof zakte. Ik hoorde m’n oor suizen.

[’t Was mid­dag. Schaft­tijd — ‘t bes­tand met de tuin­man­nen was gesloten.]

pagina 1 van 32412345102030...laatste »
als ik niet leef, ga ik dood

View in: Mobile | Standard