 |
De ramp van vandaag is de archeologie van morgen. Charles P. Boyle (1892−1968)
|
Eerst kwam ‘t mannetje van de wasmachine kijken naar ‘t plasje water in de kelder. Hij haalde ‘t apparaat uit mekaar en schudde z’n hoofd.
“Hij lekt niet.” ontdekte die. Hij keek om zich heen. “Mag ik es in die kruipruimte kijken?” wees ie.
“Ga je gang.” haalde ik m’n schouders op. ‘t Mannetje van de wasmachine opende ‘t luik. Zachtjes floot ie tussen z’n tanden.
“Dat dacht ik al.” zeidie. “De afvoer is gesprongen. Kijk.” Met ‘n looplamp liet ie me zien hoe de kruipruimte onder water stond.
‘n Hoestbui smoorde ‘n vloek. ‘t Mannetje keek me bezorgd aan.
“Gaat ‘t wel?” vroeg ie. Ik zwaaide maar zo’n beetje met m’n handen.
[“Ik schrijf wel wat op die bon.” zei ‘t mannetje geruststellend. “Geen zorgen.”]
 |
Het is vaak heerlijk rusten in het gras dat je ergens over hebt laten groeien. Cornelis Buddingh’ (1918−1985)
|
Tuurlijk heb ik dat ook — nog steeds, als ik eerlijk ben — maar wel steeds minder: schuldgevoel wanneer ik noodgedwongen nutteloos thuis zit en andere mensen ‘t werk laat opknappen.
Maar ‘t is niet anders dan dat ‘t is en van schuldgevoel is nog nooit iemand beter geworden. Zo.
Dus luister ik naar zachte jazz, lees verder in dat spannende tweede deel van die trilogie, koester me in de zon of doe gewoon helemaal niks.
Niks! Wat ‘n uitvinding is dat, zeg: Niks. Daar doen we veels te weinig mee, kan ik je zeggen. Niks is hemels, paradijselijk, goddelijk. Niks is niet niks — Niks is alles!
Kon ik de rest van m’n tijd maar Niks doen.
[Men fluistert dat d’r na dit leven Niks is. Dat moet ‘t paradijs welhaast zijn.]
 |
Liefde is een medicijn voor iedere kwaal, een genotvolle toestand, een begeerde ziekte waarbij herstel geen vreugde brengt en waarbij bewustzijn niet vereist is. Nawal El Saadawi (1931)
|
“Ik piep d’r heus niet zomaar eventjes tussenuit.” ‘t Moest geruststellend klinken, maar de d’ropvolgende rochel droeg daar niet aan bij, vreesde ik. In elk geval bleef Billy onverminderd bezorgd kijken. Hij voelde nog es m’n voorhoofd.
“Je hebt koorts.” zeidie ernstig. Hij trok met z’n neus omlaag, de lippen getuit. “Ik vertrouw ‘t niet.” zeidie.
“Kom op.” zei ik. “Beetje koorts, hoofd– en keelpijn — ik heb gewoon ‘n griepje. Meer niet.” Billys blik bleef onveranderd verdacht. Ik onderdrukte ‘n hoest.
“Dan zal ‘t de Mexicaanse wel zijn.” zeidie na ‘n korte gedachtenpauze. “Jij bent tenslotte overal later mee.” Hij keek me strak aan.
[“Of ‘t is ‘n heel nieuwe variant.” mompelde ik terwijl ik m’n ogen met gevoel voor drama sloot. Door m’n wimpers zag ik Billy verbleken. Ik voelde me al wat beter.]
 |
Ik zou liever leven in een wereld waar mijn leven is omringd door mysterie dan in een wereld die zo klein was dat mijn geest haar kon omvatten. Harry Emerson Fosdick (1878−1969)
|
Nat maakt nat en koud maakt koud. Kijk maar naar handdoeken.
Handdoeken kun je best vaker gebruiken, vind ik, voor ze de was in moeten. Dus hang ik ze, na gedane zaken, keurig aan ‘n haakje te drogen. De eerstvolgende douchebeurt zoek ik dan allereerst de serviette du jour. En dan gebeurt d’r iets merkwaardigs.
Droog en droog blijken dan namelijk twee heel verschillende dingen te zijn. Droog hangt d’r namelijk vanaf hoe nat of jezelf bent. Heus.
‘n Handdoek die redelijk droog aanvoelt voordat je ging douchen lijkt namelijk ineens kletsnat wanneer je zelf nog staat na te druppelen.
Want nat maakt nat.
[En in de winter is twintig graden kouder dan in de zomer. Koud maakt koud.]
 |
De wanhoop vergist zich nooit. Pedro Arrupe S.J. (1907−1991)
|
Niemand kan ‘t nu nog ontkennen: de lente laat zich nimmer zingen.
De kwelerijen van de ochtendvogels doen bijna sneu aan. Ze tjilpen dat ‘t voorjaart maar in plaats daarvan valt de sneeuw nog es op hun verenpak.
“Ik heb d’r nu wel genoeg van.” hoor ik mensen zeggen. “Nu is ‘t niet leuk meer.”
En dan wil ik ze vastpakken en toeroepen dat ‘t nooit leuk is geweest, die hele winter niet. Maar dat doe ik dan niet, daar ben ik weer te beleefd voor.
Bovendien kunnen de vogels dat veel beter dan ik.
[Maar laat ik de volgende winter niemand meer horen dat ‘t zo’n prachtige tijd is.]
 |
‘Ik word oud,’ zuchtte hij.
’Welnee,’ troostte ik hem,
’jij wordt helemààl niet oud!‘
Maar dat scheen hem toch
ook weer niet te bevallen.
Jan J. Pieterse
|
“‘t Zou ook best ‘n midlife-crisis kunnen zijn.” opperde ik, nadat ik m’n onvoldaanheid had uitgesproken over m’n dagelijkse bestaan, zonder dat ik kon duiden wat d’r nou precies mee mis was — niet meer dan ‘n onbestemd gevoel, zeg maar. Billy had me zwijgend aangehoord.
“Midlife-crisis?” zeidie toen voorzichtig. Hij sprak ‘t woord uit als iets allesbehalve denkbaar. Ik voelde zowat ‘n glimlach opkrullen uit dankbaarheid voor de lieve geste.
“Ben je daar niet erg laat mee?” fronste ie toen. Ik haperde.
[“Maar je bent daarentegen altijd overal laat mee geweest.” duwde die de dolk nog iets dieper. “Dus ‘t zou best kunnen.” Hij knikte. Hij was serieus.]
 |
Macht is het vermogen niet te hoeven behagen. Elizabeth Janeway (1913−2005)
|
Ik koesterde me op de bank, achter glas, in de zon. M’n ogen gleden dicht, de leden kleurden roze. ‘t Was bijzonder behaaglijk zo op de bank, achter glas, in de zon.
Zo trof Billy me aan, toen ie de kamer binnenkwam.
“Lig je lekker?” vroeg ie. Dat de vraag licht cynisch was ontging me niet.
“Mmm.” zei ik. Ik dacht aan vergane tijden, toen in sanatoria de patiënten verbleven op banken, achter glas, in de zon. “Ik voel me senang.” zei ik met m’n ogen dicht. ‘t Bleef even stil.
“Senang?” reageerde Billy. O ja, dacht ik, de jeugd kent dat woord niet.
“Da’s Chinees.” zei ik. “Voor klote.”
[“O.” zei Billy. “Senang voor je.”]
 |
Vrouwen haten vriendschap. Ze houden niet van die lage temperatuur: op zo’n terrein doen ze verkoudheden op. Francis de Croisset (1877−1937)
|
“We komen d’r net vandaan.” zei de vrouw tegen de apothekersassistente. “Van de huisdokter.”
“‘t Recept zou klaarliggen.” zei de man. Samen stonden ze tegen de balie aangeleund. Ze verspreidden de penetrant-muffe geur die armoede zo kenmerkt. (Dit is slechts ‘n irrelevante waarneming, geen oordeel uiteraard — ik zou niet durven.) De apothekersassistente keek op haar beeldscherm.
“Ik zie ‘t.” knikte ze. Ze las ‘t een en ander nog es na.
“Neemt u maar even plaats.” zei ze. “Dan maak ik ‘t even klaar.”
‘t Stel liep naar de stoelen bij de waterkoeler. De vrouw ging zitten, maar de man liep terug. Hij nam ‘n greep uit de bak met dropjes op de balie. Dan nam ie plaats aan de andere kant van de ruimte. Daar at ie de dropjes op. In z’n eentje.
[De vrouw zei niks en dat beloofde niet d’r laatste woord te zijn.]
 |
Is het eindelijk voorjaar, zijn we doodmoe. Lejo van Kuijeren (1948)
|
‘t Wordt lente! of iets van dien aard dacht ik vanmorgen toen ik, zes minuten voordat de wekker zou afgaan, wakker werd gestikt doordat Pim op m’n neus ging zitten terwijl de merels buiten zongen.
De hele vermaledeide winter had ie niet meer op m’n hoofd gezeten. Want om in de slaapkamer te komen moeten onze katten buitenom, via ‘t kattenluikje. En dat was, vanaf pakweg september vorig jaar, te koud voor deze Noorse Boskat. Hij bleef liever beneden, binnen, boven op de radiatorombouw.
Ik kon ‘m geen ongelijk geven. Tegelijk was ‘t, om heel eerlijk te zijn, ‘t voornaamste pluspunt van de afgelopen winter.
Ontwaken zonder kater.
[’t Wordt lente, dacht ik, terwijl ik Pim van m’n hoofd trok en opstond.]
 |
Mijn beste maat is de geldautomaat. Huub Martron
|
De vrouw stond, enigszins beduusd, voor de gesloten deur van de geldautomaat, d’r bankpasje in d’r hand geklemd. Ik moest d’r wel aanspreken.
“Pardon mevrouw,” begon ik beleefd, “kan ik u ergens mee helpen?” Twee hulpvragende ogen draaiden naar mij.
“Och jongeman,” zei ze (waarmee ze meteen m’n sympathie had verdiend), “ik kom d’r niet in.” En om te bewijzen dat ze geen onzin sprak trok ze aan de deurklink. ‘t Hokje bleef dicht.
“Misschien lukt ‘t zo.” zei ik. Door tegen de deur aan te duwen zwaaide die open. De vrouw keek me blij verrast aan.
“Och jongeman.” zei ze. Voorzichtig stapte ze naar binnen. “Och jongeman.” hoorde ik d’r nog zeggen toen de deur weer achter d’r dichtviel. Tevreden met mezelf vervolgde ik m’n weg.
[Tot ik me afvroeg of ze de uitgang nog zou hebben gevonden.]