 |
Als al de rest mislukt, kan je altijd onsterfelijk proberen te worden door een spectaculaire vergissing. John Kenneth Galbraith (1908−2006)
|
“Wat was dat?” schrok Billy. Pas dan merkte ik dat m’n telefoontoestel had gebromd. Ik had geen zin om wakker te worden.
“Tweet.” mompelde ik. Nu konden we verder slapen.
“Wat?” vroeg Billy, die dat blijkbaar niet van plan was.
“Tweet.” herhaalde ik, tegen ‘t randje van wakker worden aan.
“Dan zeg je toch lekker niks.” gifte Billy. Hij draaide zich om en nam meteen de helft van ‘t dekbed mee. Maar ik had ‘t toch al te warm.
[De nachtelijke tweet dat iemand ‘n stukje van me wilde verfilmen, had bijna ‘n echtelijke crisis veroorzaakt. Gelukkig sliep ik meteen weer in.]
 |
Vrouwen zijn blond of bruin: het is de enige manier om ze uit elkaar te houden. Gerrit Komrij (1944)
|
“Dag meisjes.” zei de ober in ‘t voorbijgaan tegen de geblondeerde dames aan de rand van ‘t terras. Ze waren allebei in ‘t wit gekleed en droegen grote zonnebrillen en lange, goudkleurige kettingen. ‘t Zouden zusjes van mekaar kunnen zijn, zogezegd. De voorbijgaande ober werd getrakteerd op ‘n ondeugende glimlach.
‘t Tafeltje tegenover de blonde dames had de groet van de ober ook gehoord. ‘n Man, ‘n vrouw en hun kind dronken d’r hun drankjes. De vrouw van de tafel keek zoekend om zich heen. Eén van de blonde dames merkte ‘t gespeur op.
“Hij had ‘t tegen ons.” riep ze triomfantelijk.
[“Heus waar.” ondersteunde de andere blonde dame.]
 |
Mijn leven wordt met de dag gecompliceerder. Gisteren had ik een half uur nodig om mijn schoenen aan te trekken. En vandaag kostte het me een uur om een zachtgekookt eitje klaar te maken. Woody Allen (1935)
|
Soms wenste ik dat ik meer gelijkmatig van gemoed was. Maar dat ben ik niet. Zo gebeurde ‘t dus dat ik zwaarmoedig op bed lag, toen Billy z’n hand op m’n hoofd legde.
“Dat deed je vroeger ook.” zei ik zacht.
“Ssst.” zei Billy. “Wat denk je dat ik aan ‘t doen ben?” Ik sloot m’n ogen. De donkere wolken in m’n hoofd pakten samen. ‘n Storm stak op. Mijn hart begon te bonzen, m’n ademhaling werd snel en oppervlakkig. Gedachten schoten heen en weer. Angsten werden opgetild. De orkaan blies ze op! Op! Op! En liet ze weer zakken – zonder ze los te laten.
Dan braken de wolken en luwde de wind en langzaam kwam alles weer op z’n plaats terecht. Kalmte kwam over me en rust. Ik zuchtte. Langzaam gleed de hand van m’n hoofd.
“Dankjewel.” fluisterde ik. Er kwam geen antwoord. Ik draaide m’n hoofd naar Billy. Hij sliep.
[Ik glimlachte — voor ‘t eerst die dag.]
 |
Acteurs verlaten het toneel als zij hun rol gespeeld hebben. In het theater. Stanislaw Jerzy Lec (1909−1966)
|
Als in ‘n spaghettiwestern liep ik door ‘t verlaten station. Ik vermoedde ‘n droge wind die dorre struikgewassen rondblies onder de mondharmonica van Morricone.
‘n Maand lang is ‘t de plek voor eenlingen als ik die oostwaarts trekken om hun fortuin te beproeven. Anderen hebben d’r niks te zoeken. ‘t Is ‘n ruig oord voor ruige kerels. Ik had me dan ook met opzet niet geschoren.
De jongen van de Kiosk had z’n handel tegen beter weten in geopend. Hij keek me zwijgend aan, terwijl ie met ‘n doekje z’n toonbank veegde. In alle eenzaamheid wachtten hij en ik tot m’n vervoer kwam voorgerold.
[Als dit geen spaghettiwestern was, had ik nu ‘n heel ander script bedacht.]
 |
Omeletten zijn eieren die dromen dat ze vallen. Kamagurka (1956)
|
We zijn 2 gekookte eieren vergeten, kan jij die meenemen? Thx. Bedankt voor de plantjes. sms’te Buurtvrouw S om 13 uur 51. Ze was met d’r gezinnetje op weg naar d’r vakantiebestemming. Blijkbaar had ze zich in de auto ineens gerealiseerd dat ze nog wat vergeten was. Twee gekookte eieren, namelijk. Billy ging meteen kijken. Even later kwam ie terug.
“Geen gekookte eieren.” zeidie. Hij haalde z’n schouders op. Even later piepte m’n toestel weer.
“Ze heeft ze zeker gevonden.” zei Billy. Ik keek op ‘t scherm.
Heb de eieren net gevonden. las ik.
[Bedankt voor m’n stukje voor morgen. seinde ik terug.]
 |
Voor sommige mensen is de koelkast de beste hulpverlener. Jeanette Winterson (1959)
|
Ik stond voor de open deur van de koelkast.
“Kom.” maande ik.
“Wat ben jij aan ‘t doen?” vroeg Billy.
“D’r is ‘n vlieg de koelkast ingevlogen.” zei ik.
“‘n Vlieg?” schrok Billy. “De koelkast in? Nee toch?” Hij bukte voorover.
“Wat ga je doen?” mistrouwde ik.
“De koelkast leeghalen, natuurlijk.” zei Billy. “We moeten die vlieg toch redden?” Hij pakte de kaasdoos en de melk.
“Draaf je niet ‘n heel klein beetje door?” rimpelde ik.
“Hoezo?” vroeg Billy terwijl ie de mosterdsaus greep. “Je wilt de dood van dat diertje toch niet op je geweten hebben?” Waarmee ie de appelsap uit de deur haalde.
“Nou is ‘t mooi geweest.” zei ik. Ik duwde Billy opzij en de koelkast dicht. Billy keek me grijnzend aan.
“Zullen we dan maar ontbijten?” zeidie.
[“Ben ik zonet in de maling genomen?” vroeg ik. “Natuurlijk niet.” zei Billy.]
 |
Vrienden zijn als meloenen, je moet er honderd testen vooraleer je één goede hebt. Claude Mermet (1550−1605)
|
“Eigenlijk zijn we gewoon familie, Stefan en ik.” zei ik. Billy keek of ie ‘t niet meteen begreep. Ik hielp ‘m dus maar even.
“Kijk, jouw zus gaat binnenkort trouwen met ‘n man die al ‘n kind heeft bij die jonge vrouw even verderop, toch?” Ik keek Billy aan.
“Dat klopt.” zeidie. Tot zover niks aan de hand.
“Nou,” ging ik verder, “En die jonge vrouw heeft nu ‘n relatie met de jongen van de fietsenwinkel.”
“Mmm.” hield Billy zich in.
“En de tante van die jongen,” werkte ik naar de conclusie toe, “Is weer de moeder van Stefan.” Billy leek niet onder de indruk van m’n betoog.
“Eigenlijk best klef.” vond ik bij nader inzien.
[“Wanneer bedenk je zulke dingen eigenlijk?” vroeg Billy na ‘n poos.]
 |
Een vogel fluit de waarheid. De mens kan fluiten naar de waarheid. Bertus Aafjes (1914−1993)
|
“Hoor je dat?” fluisterde ik. We lagen stil in bed. Alleen ‘t ruisen van de ventilator was te horen, gelardeerd met ‘n ander, onbekend geluid.
Woewoewoewoe, ging ‘t. En daarna kwam ‘n klein fluitje. Priet!
“‘t Is vast één of andere vogel.” zei Billy. “Eén die we nog niet kennen.” ‘t Was heel goed mogelijk: we wonen tenslotte in ‘n bosrijke omgeving met veel soorten dieren.
Woewoewoewoe. Priet!
“Wat gaat dat mooi gelijkmatig.” vond ik. “‘t Lijkt net alsof d’r steeds dezelfde tijd tussen zit.” Billy stond op.
“Wat doe je?” vroeg ik. Hij hief z’n hand op.
“Sst.” zeidie.
Woewoewoewoe. Priet! ging ‘t weer. Billy kwam terug in bed.
“‘t Is de ventilator.” zeidie.
[’t Verschil tussen natuur en machine wordt steeds kleiner. Best ‘n mooi idee.]
 |
Liefde: samenzijn met een ander om bij elkaar beschutting te zoeken. Jules Feiffer (1929)
|
Overbuurmeisje is op 2 februari geboren. Op dit moment wacht ze in ‘n Utrechts ziekenhuis op de chemobehandeling die vooraf gaat aan ‘n beenmergtransplantatie. Haar ouders logeren vlak bij d’r in ‘n familieverblijf. Op gezette tijden laten ze weten hoe ‘t met hen en hun dochter gaat. Kleine alledaagse dingen zijn heel bijzonder geworden, dat is duidelijk.
Zo lees ik dat Overbuurmeisje naar buiten mocht. En dat ‘t zusje d’r even mocht vasthouden. En dat ze slaapt. Of speelt. En dat alles gewoon zou lijken, als d’r geen slangetjes in d’r lichaampje zouden zijn gestoken.
Bijna terloops wordt nog even vermeld dat ‘t ziekenhuis heeft geregeld dat d’r ‘n fotograaf is langsgekomen om foto’s van ‘t gezinnetje te maken. Zodat er tenminste ‘n tastbare herinnering is. Voor later.
[De rest lees ik wel als de mist is opgetrokken.]
 |
Gelukkig, er is leven rond de dood. Hilde Eynikel (1949)
|
M’n hemel, wat had ik graag z’n voorkant gezien.
Hij liep langs me heen toen ik op de trein stond te wachten, de donkere jongen met de tattoeages op z’n rechterarm. Hij droeg ‘n t-shirt en ‘n spijkerbroek op de heupen. Daarin liep ie de trap op — traag maar krachtig. Met elke wiegende beweging zakte de broek iets verder naar beneden, tot de riem z’n billen onthulden: twee kleine, stevige bollen, verpakt in ‘n gespannen grijze onderbroek. Ze bewezen dat de zwaartekracht slechts ‘n theorie is, die op sommige voorwerpen geen vat heeft. Zo rond, zo opgepompt — ik vroeg me af hoe ‘t mogelijk was dat d’r überhaupt iets vanaf gleed.
Bovenaan de trap, bijna uit ‘t zicht, hees de jongen z’n broek weer op. Toen verdween ie, ademloos en ongegeneerd nagestaard door mij, in de ijdele hoop dat ie weer zou komen om me z’n voorkant te laten zien.
[Maar misschien had ie me nu al ‘t beste getoond.]