 |
Als een verborgen bloem in een ommuurde tuin, niet opgemerkt door het vee, door geen ploeg beroerd; de wind streelt hem, de zon sterkt hem, de regen brengt hem groot: veel jongens en meisjes opteren ervoor. Catullus (84-54 vGT)
|
Okee, ik zal ‘t kort maken: ik stop d’r voorlopig mee.
Nee nee, niet meteen gaan joelen of schreeuwen. Luister. Ik wil gewoon ook wel es vrij hebben. Dat ga ik in de zomermaanden es uitproberen. Van maandag tot en met vrijdag is d’r dan niks aan de hand.
Zaterdag ook niet, trouwens — dan kun je me om elf uur ’s ochtends (na ‘t ontbijt) lezen bij Arnhem Direct. Wat je toch al deed — toch?
Alleen op zondag zul je me gaan missen. Nou ja, is dat nou zo erg?
[Nou allemaal heel hard Jaaa roepen. Da's goed voor m'n ego. Aan de andere kant: veel groter kan die toch al niet worden.]
 |
Het ei moet niet wijzer willen zijn dan de kip. Erasmus (1469-1536)
|
We zaten aktieplannen te verzinnen, m’n collega’s en ik. Want soms moet je je mondje roeren.
“We moeten handtekeningen verzamelen.” zei de één.
“En belangrijke mensen inschakelen.” vond ‘n ander.
“We stappen naar de pers.” riep d’r nog één.
“Ik ken iemand bij de radio.” jubelde iemand.
“Ik ga naar NOVA.” schalde de laatste.
Intussen was iedereen opgestaan en buitengewoon barricadebereid. Men keek naar mij — ik had tot dusver gezeten en gezwegen. Nu werd d’r duidelijk wat van mij verwacht. Terwijl ik nadacht over iets gepasts rees ik op uit m’n stoel. Ik balde de vuist in de lucht, zoals ik wel es had gezien.
“Euhm.” zei ik. Ik zag mensen bemoedigend knikken.
“Ik.” herbegon ik. “Euh.” rekte ik nog even. “Ik doe euh.” Ik schraapte m’n keel.
“Ik doe dan wel Spuiten & Slikken.” bedacht ik toen.
[Verbijstering gleed over de gezichten van m'n collega's. Ik ging weer zitten en voelde 'n onbedwingbare behoefte om door de aarde verzwolgen te worden.]
 |
Zomer: de periode waarin het te warm is om te doen waarvoor het in de winter te koud was. Mark Twain (1835-1910)
|
‘t Heetst van de dag. De straat was verlaten, op mij en ‘n verloren envelop na. Ik pakte ‘m op: hij had op nummer achtenveertig besteld moeten worden. ‘t Huis waar ik voor stond heette tweeëndertig — en de straat was ‘n straat met louter vrijstaande huizen en ‘n langwerpig schoolgebouw daartussen.
Ik twijfelde. Kort. Maar besloot meteen de brief naar z’n bestemming te brengen, al betekende dat snel zo’n vijfhonderd meter teruglopen.
De zon brandde, die hele halve kilometer lang. Maar ‘t ging me niet om de weg, ‘t was me om ‘t doel te doen. Enkele minuten later schoof ik de omslag door de bedoelde brievenbus.
‘t Bleef stil.
Geen applaus, geen fanfare of speldje. Niks.
[Ach, ik zei 't al: 't was op 't heetst van de dag en de straat was verlaten. Wat had ik verwacht? Goede daden blijven dan nou eenmaal ongewaardeerd. 'n Les voor 'n volgende keer.]
 |
Een deel van de reden voor de lelijkheid van volwassenen, in een kind zijn ogen, is dat het kind gewoonlijk omhoog kijkt, en weinig gezichten zijn op hun best wanneer gezien van onderen. George Orwell (1903-1950)
|
‘t Leek ‘n doodgewone ochtend, die ochtend.
‘t Was stil — geen mens te bekennen; de gordijnen overal gesloten. Even keek ik over m’n schouder omhoog. Ik glimlachte, zoals ik altoos glimlach wanneer ik Billy in de slaapkamer daarboven weet.
‘t Was ‘n mooie ochtend, die ochtend.
De lucht was kraakhelder en beloofde ‘n fraaie dag. Ik haalde m’n fiets van ‘t slot en duwde ‘m de voortuin uit. Op straat zwaaide ik m’n rechterbeen over ‘t zadel en reed weg, omhoog, naar ‘t station.
‘n Donkere schim scheerde plots langs m’n hoofd — ik voelde de lucht bewegen en ‘n hint van veren. In ‘n reflex draaide ik m’n hoofd en zag dat ik bijna was aangevlogen door ‘n ekster. ‘t Dier vluchtte krassend weg.
“De vogel kwam van links.” mompelde ik.
[De vogel kwam van links --- 't duurde nog even voor ik doorhad hoe geniaal m'n respons was geweest. Wat ik al zei: 't was 'n schitterende ochtend.]
 |
Voor een kunstenaar zijn slechte omstandigheden net zo vruchtbaar als goede, soms zelfs vruchtbaarder. Henry Miller (1891-1980)
|
Twee jongetjes — ‘n jaar of twaalf schatte ik ze — zaten op ‘t terras. Ze dronken ‘n glaasje fris. Keurige jongens.
Eén van de twee dronk z’n glas in één teug leeg, stond op en ging naar binnen. Hij moest plassen, dacht ik. De andere jongen bleef zitten. Hij nam ‘n slok en wachtte. Hij keek naar links. En naar rechts. En bungelde wat met z’n benen. En wachtte nog maar es. En dronk nog ‘n slok.
Op ‘t moment dat z’n vriendje weer buitenkwam, was ‘t glas leeg.
“En?” vroeg de terrasjongen. ‘t Vriendje schudde z’n hoofd.
“Ook al geen condooms.” zeidie.
[Ik zat aan 't tafeltje d'rnaast en dronk op dat moment net van m'n rosé. Rosé door je neus is niet fijn.]
 |
Een vreemd woord is als een onscherpe foto. Karl Heinrich Waggerl (1897-1973)
|
De man stond met afhangende armen en zweeg vooral. Hij keek toe hoe z’n vrouw de bezoekers van de barak waarschuwde.
“Kijk uit.” deed ze. “D’r zit gloeiend hete olie in de wokpan.” Om te vervolgen met: “Ik kom hier altijd. Daarom vroeg ze of ik.” De zin maakte ze af met ‘n hoofdknikje. Dat zei alles.
Wie ze was, werd niet duidelijk — maar dat was ook niet belangrijk. Belangrijk was dat we gewaarschuwd werden voor de hete olie in de wokpan. Je moest d’r toch niet aan denken wat d’r anders allemaal zou kunnen gebeuren.
De man begreep dat maar al te goed en zweeg daarom. Z’n afhangende armen markeerden z’n overgave aan ‘t onvermijdelijke, ‘t hogere. Dit zwijgen sprak.
["Kijk uit voor de hete olie." waarschuwde de vrouw de moeder die d'r dochter voor 't fornuis wilde fotograferen. De man deed 'n stap achteruit. "O ja." zei de vrouw en ging ook even opzij.]
 |
Vijf miljoen jaar geleden sloeg een naamloze aap een andere aap met een scherpe steen de schedel in. De mens was geboren. Battus (1935)
|
We vielen duidelijk uit de toon, daar bij de modetentoonstelling in ‘t museum.
We waren namelijk niet jong genoeg, niet strak genoeg en niet homo genoeg — de dresscode voor de incrowd, die ons dan ook als niet-terzake-doende compleet negeerde. Als twee toevallig aanwezige maar nutteloze wormvormige aanhangsels, zeg maar.
Zelfs de jongen in ‘t nauwsluitend t-shirt (paarsig) en dito broek (groenig) die continue heen en weer drentelde en onderwijl ‘n zielsverwant (zelfde outfit, maar dan blauw-zwart) tegenkwam, vond ons blijkbaar dermate onbeduidend dat ie helder hoorbaar en sans gêne tegen ‘m uitriep: “Ik moet zo pissen, maar ik durf m’n broek niet uit te doen, want dan krijg ik ‘m van m’n leven niet meer aan.”
['t Was niet zozeer de inhoud van wat ie zei, maar vooral de Achterhoekse tongval waarmee ie 't zei. Alsof Piet Paris op de Zwarte Cross mee zou rijden. Zeg maar.]
 |
Zelfs een enkel woord kan een vonk van een onstuitbare gedachte zijn. Percy Bysshe Shelley (1792-1822)
|
“Hij is al weg.” De conducteur keek me met enige spijt aan. Ik begreep dat ik ‘m moest begrijpen.
“O.” zei ik. “Wie?” Nou was ‘t de beurt aan de conducteur om in de war te raken.
“De trein naar D.” zeidie. “Maar u bent ‘m niet.”
“De trein?” ‘t Gesprek begon bizarre trekjes te vertonen.
“Nee.” zei de conducteur. “De man met ‘t witte overhemd.” Ik keek naar m’n witte overhemd. De conducteur reageerde snel. “Ja, wel ‘n wit overhemd,” herstelde die, “maar ‘n ander.” Voordat ie opgelucht keek vond ie nog ‘n kleinigheid voor verbetering vatbaar. “‘n Andere man, dus.” zeidie.
[De trein was tot stilstand gekomen en de conducteur probeerde de deur te ontgrendelen. "Verdikkeme." zeidie toen 't niet meteen lukte. Bij 't uiteindelijk openen van de uitgang kwam meer dan alleen frisse lucht naar binnen.]
 |
De grens van zijn denken is de witte rand van zijn krant. Gerd de Ley (1944)
|
Ik vervloekte mezelf. Wat bezielde me in hemelsnaam om m’n krant uit te lenen aan die vrouw?
In de hele coupé was niks te lezen te vinden geweest, dus was ze op mij afgestapt. En met pijn in m’n hart had ik ‘t hoofdkatern aan d’r afgestaan.
“Maar ‘t is wel ‘n echte krant, hè.” had ik gewaarschuwd. “Als je deze uithebt ben je niet dommer.” zei ik d’r achteraan. (Nou ja, dat had ik eigenlijk willen zeggen.) “Ik wil ‘m dus wel terug, dadelijk.” Ze had vriendelijk geknikt. En ik had me over ‘t kunstkatern gebogen.
Maar dat schoot niet op. Want in m’n perifeer gezichtsveld zag ik de vrouw in de vierzitter rechtsvoor — had ik al gezegd dat ‘t ‘n keurige vrouw was? — de pagina’s omslaan. Ik kon ‘t niet zien, maar veronderstelde kreukels en vlekken op de eens zo maagdelijk mooie krant. Dat deed meer pijn dan ik had gedacht. Van alles was ik wilde lezen moest ik telkens weer opnieuw beginnen.
[Vlak voor m'n eindstation stond de vrouw op, vouwde de krant en gaf 'm aan mij terug. Keurig en, zo te zien, ongeschonden. "Alstublieft." zei de vrouw. "En dankuwel." Ik antwoordde niet, maar borg 't dagblad koesterend op in m'n tas.]
 |
Zelfs een held heeft wel eens een misverstand in zijn denkraam, dat men hem in de schoenen kan schuiven. Marten Toonder (1912-2005)
|
De Haagse chausseur keek me onderzoekend aan.
“Pardon?” zeidie, alsof ie me niet goed had gehoord.
“Veters.” herhaalde ik. “U vergeet de veters.” De man blikte ingehouden wanhopig naar z’n collega, die gelukkig ‘t misverstand onderkende.
“Dit model heeft geen veters.” zei ze beleefd. “De gaatjes horen bij ‘t design.” Ze keek me afwachtend aan. De schoenverkoper draaide ook naar mij. ‘t Was duidelijk: nu moest ik reageren.
“O.” zei ik. “Natuurlijk. Dat weet ik ook wel.” Ik probeerde ‘n uitweg te bedenken. “Ik wil gewoon veters.” zei ik. “Voor ‘n ander paar schoenen.” Ik knikte. “Schoenen met gaatjes.” (’t Ging goed.) “Voor veters.”
[De man knikte en probeerde niet naar de verkoopster te kijken toen ie naar de veters reikte. "Welke lengte, m'neer?" vroeg ie. Verdorie, dacht ik.]